- FCI Standaard: no. 221
- FCI Classificatie: rasgroep 8 Retrievers-Spaniels-Waterhonden, sectie 3 Waterhonden, met werkproef
- Land van oorsprong: Nederland
- Oorspronkelijk gebruiksdoel: jacht
- Acceptatiedatum FCI: 21 december 1959
- Laatste wijziging 8 juni 2023
KORT HISTORISCH OVERZICHT: Vermoedelijk meegenomen door zigeuners en/of zeelieden uit landen rond de Baltische Zee. In de 19e en 20e eeuw werden ze onder andere gebruikt om hondenkarren te trekken, maar werden ze meestal gebruikt als jachthond op de otter en andere kleine roofdieren.
De Wetterhoun kwam vooral voor in waterrijke gebieden in Friesland, het noordelijke deel van Nederland. In het begin van de 20e eeuw werden de Wetterhoun en de Stabijhoun regelmatig met elkaar gekruist, waardoor de beide rassen dreigden te verdwijnen.
In 1938 besloot een groep enthousiastelingen van de ‘Kynologenclub Fryslân’ te trachten het ras zuiver te behouden en in 1942 werden beide Friese rassen officieel erkend. Belangrijke namen die verband hielden met dit proces waren: J. Bos, T. van Dijk, B. de Graaf en W. Hoeksema. De eerste standaard werd op 10 februari 1944 gepubliceerd. De huidige populatie (2023) is ongeveer 1000 honden wereldwijd.

ALGEHEEL BEELD: Een eenvoudige hond, totaalbeeld vierkant, een gedrongen hond, compact gebouwd zonder log of plomp te zijn.
BELANGRIJKE VERHOUDINGEN: De schofthoogte vergeleken met de lichaamslengte, gemeten vanaf de voorzijde van het boeggewricht tot zitbeenknobbel, heeft een verhouding van 1:1. De afstand van de bovenste punt van de schoft tot de elleboog is gelijk aan die van de elleboog tot aan de grond.
GEDRAG EN TEMPERAMENT: De Wetterhoun heeft een zelfstandig karakter. Als gezinshond is de Wetterhoun aanhankelijk. In en rond het huis is de Wetterhoun waaks en jaagt hij graag op ongedierte. Naar vreemden kan de Wetterhoun zich wat terughoudend tonen, maar mag nooit angstig zijn.
HOOFD: Droog. Grootte in verhouding tot het lichaam, fors en krachtig. Het geslachtstype moet duidelijk zichtbaar zijn. De schedel (van stop tot occiput) is iets langer dan de voorsnuit (van stop tot neuspunt).
CRANIAAL: Zowel de vorm van de schedel als de belijning van schedel en voorsnuit dienen parallel te zijn.
Schedel: Licht gewelfd, de indruk gevend breder dan lang te zijn, geleidelijk overgaand in de wangen. Stop: De overgang van schedel naar voorsnuit is geleidelijk en slechts matig aangegeven.
AANGEZICHT:
Neus: Zwart voor honden met een zwarte basiskleur. Bruin voor honden met een bruine basiskleur. Goed ontwikkeld met goed geopende neusgaten.
Voorsnuit: Breed en stevig, met een rechte neusrug.
Lippen: Goed aangesloten.
Kaken en gebit: Krachtig en compleet scharend gebit. Wangen: Spieren van de wangen zijn matig ontwikkeld.
OGEN: Middelmatig groot, ovaal van vorm, goed aangesloten oogleden. De ogen zijn enigszins schuin geplaatst, waardoor de grimmige expressie ontstaat. Oogkleur donkerbruin voor honden met een zwarte basiskleur en bruin voor honden met een bruine basiskleur.
OREN: Middelmatig laag aangezet. De oorschelp is niet sterk ontwikkeld zodat de oren goed gevouwen en zonder draai tegen het hoofd worden gedragen. De oren zijn middelmatig lang en hebben de vorm van een troffel. De beharing op de oor is een rastypisch kenmerk van het ras. Het is gekruld, vrij lang aan de basis van het oor en neemt naar beneden in lengte geleidelijk af, terwijl het onderste 1/3 deel van het oor met kort haar is bezet.
HALS: Kort en krachtig, rond, in een zeer stompe hoek overgaand in de ruglijn, waardoor het hoofd tijdens het gaan laag wordt gedragen. De hals is licht gewelfd en toont geen keelhuid of wammen.
LICHAAM: Zeer krachtig en gespierd.
Bovenbelijning: Vlak.
Schoft: Sterk en niet nadrukkelijk aangegeven.
Rug: Recht en kort.
Lendenen: Krachtig.
Croupe: Licht hellend.
Borst: Van voren gezien breed, meer breedte dan diepte tonend waardoor de voorbenen vrij ver van elkaar staan. De onderzijde van de ribbenkast moet goed gerond zijn en mag niet voorbij de ellebogen reiken. Ribben goed gerond met goed ontwikkelde laatste ribben.
Onderbelijning en buik: De onderbelijning van de buik en flanken moet vloeiend verlopen, de buik is matig opgetrokken.
STAART: Lang en tot een spiraal opgerold, gebogen over of naast het kruis.

LEDEMATEN
VOORHAND:
Algemeen: Gespierd en voldoende gehoekt, rechte benen, vrij ver uit elkaar geplaatst.
Schouder: Goed aan het lichaam aangesloten. Schouder matig schuin geplaatst.
Opperarm: Voldoende gehoekt in verhouding tot het schouderblad.
Ellebogen: goed op de ribben aangesloten.
Voorbenen: Sterk, recht en parallel geplaatst.
Carpus (pols): Sterk en van voren gezien recht, van opzij gezien licht gebogen.
Metacarpus (middenvoet voor): Licht gebogen.
Voorvoeten: Krachtige, ronde voeten, goed ontwikkelde en gebogen tenen die recht naar voren staan Goed gesloten en met sterke voetzolen.
ACHTERHAND:
Algemeen: Middelmatig gehoekt. Hakken van achteren gezien parallel. Dijbeen: Sterk, matig gehoekt ten opzicht van het heupgewricht.
Knie: Licht gehoekt.
Onderbeen: Van goede lengte.
Hak: Laag geplaatst.
Metatarus (middenvoet achter): Relatief kort.
Achtervoeten: Gelijk aan de voorvoeten.
GANGWERK EN BEWEGING: Krachtige en toereikende stuwing. Van voren gezien heeft de Wetterhoun een vrij brede beweging. Tijdens het gaan wordt het hoofd iets hoger dan de bovenbelijning gedragen. Neigt tot telgang, wat minder gewenst is maar acceptabel.
HUID: Stevig, goed aangesloten, zonder rimpels of plooien.
VACHT:
Haar: Dichte krullen: dit zijn vaste, stevige krullen van bundels haar. Het haar zelf is vrij grof en voelt vettig aan. Hoofd (gezicht) en benen zijn bedekt met kort haar.
Kleur: Eenkleurig zwart of bruin met witte aftekening of borst en/of tenen. Ook zwarte platen of bruine platen en ticking en roan is toegestaan.

FORMAAT EN GEWICHT:
Schofthoogte: Ideale maat voor reuen: 59 cm. Ideale maat voor teven: 55 cm.
Gewicht: Reuen gemiddeld 34 kilo. Teven gemiddeld 28 kilo.
FOUTEN: Elke afwijking van de voorgaande punten dient als een fout te worden beschouwd. De ernst waarmee de fout moet worden bezien dient in goede verhouding te zijn met de ernst en het effect op gezondheid en welzijn van de hond, en zijn vermogen het oorspronkelijke werk te verrichten.
Te smalle schedel
Doorgezakte voeten
Lippen te los en te zwaar
Uitpuilende of diepliggende ogen
Gele of roofvogelogen
Voorsnuit niet recht
Oren niet vlak tegen het hoofd gedragen Oren met teveel kraakbeen bij de aanzet
ERNSTIGE FOUTEN:
Gebrek aan geslachtstype
Het missen van meerdere elementen (P1 en M3 worden hierbij niet in aanmerking genomen) Elke andere kleur dan die is toegestaan in de standaard.
DISKWALIFICERENDE FOUTEN:
Agressieve of angstige honden
Elke hond die fysieke of gedragsmatige afwijkingen vertoont
Onder- of overbeet
Onvoldoende rastype
NB:
De reuen dienen twee teelballen te bezitten die er normaal uitzien en volledig ingedaald zijn.
Alleen functionele en klinisch gezonde honden, met rastypische bouw, zouden moeten worden ingezet voor de fokkerij.